vorige bladzijdeSjon Brandsairships / luchtschepenbirds / vogelsgroceries / boodschappenreadymadesexpositions / tentoonstellingeninfo volgende bladzijde
Sjon Brands gedichten 'Liefde in de polder'
 Oh jij - jij mijn zilt kozijn,
 mijn zinderend karmozijn,
 mijn zwijntje in de regen.
 
 Oh Merel, jouw naam geurt
 naar de zoutrode avondzon,
 naar fluisterend bitterblauw.
 
 Jij bent het tingeltangelmeisje,
 achterstevoren ondersteboven
 dolend aan het binnenstebuiten
 van mijn wirwardromen, onder
 water of wat glazig in de ruiten.
 
 Jij groenloensend onvergetelijk
 oogverblindend lekker dier van 
 mijn tsjielp-tsjielp-plons-gevoel:
 ik hou van jou - ik hou van jou -
 liefje - hoe heet je ook al weer?
 
     ‘Merel van de molen, aangenaam.’

 
 Merel aan de zuidenwind, Merel
 in een doos of in de hand, Merel
 op een tulp van herenklittenband.
 
     ‘De mensen zeggen dat dat ongezond is.’

 
 Nou ze zeggen maar de mensen,
 de mensen, jij boterbuikje, zijn
 verloren zolderkonijnen bang al
 te vallen te verlegen om te leven.
 
     ‘Waar denk je aan?’
 
 Aan neodymium magneetjes,
 al lang verweerde profeetjes
 èn aan jou, allerliefste Merel,
 mijn meisje met de molentjes.
 
 Jij ruikt tenminste niet naar paarden
 zoals de meeste meisjes in dit land,
 je hebt geen grondsmaak in je mond
 of een lading ijzerwaren door je lip,
 noch stenen tafels achter op je rug.
 
 Jij mijn onbeschreven appelflap,
 mijn onbespoten zomersproeten,
 mijn donkerronkende kelderstem:
 ik hou van jou - ik hou van jou -
 mijn lief, mijn lieve, m’n liefste?
 
     ‘Zeg maar gewoon Merel, alsjeblieft.’


 Merel op je ranke poten, Merel
 in het gras of in de sloot, Merel
 aan je dijen van radijzenbrood.
 
     ‘De mensen zeggen dat dat ongewenst is.’
 
 Nou ze zeggen maar de mensen,
 de mensen, jij moerasvarkentje,
 zijn vale polderganzen verzopen
 in de goten van hun eigen echo.
 
     ‘Waar denk je aan?’
 
 Aan slapende tweelingzussen,
 aan rosbief met folie ertussen
 òf aan jou, allerliefste Merel,
 laat ze gaan - laat ze vliegen!
 
 Ach, zal ik je perkje even wieden?
 Achteronderlangs voorbovenover
 buitenom, tussendoor halverwege
 met de vleug mee, soms om en om
 ertegen, kriskras of liever zigzag?
 
     ‘Nee, vandaag even niet, dankjewel.’

 Jij kortsluiting in mijn kippenhok,
 mijn stuiterende tuinboon, jij slaat
 al de velgen onder mijn verroest
 bestaan vandaan - mag ik éven
 tussendoor een beetje doodgaan?
 
     ‘De mensen zeggen dat dat ongepast is.’
 
 Tepeltje hier, tepeltje daar,
 hoe laat is de koffie klaar?
 
 
 
 
 
 
 
  

 
 Tiktak tiktak tingeltangel,
 dansende mademoisellen
 en vallende lentelibellen,
 
 de meisjes worden meisjes,
 de wolken waterig, de wind
 wast het rode dwarrelkind.

 Tiktak tiktak tingeltangel,
 het gemompel aan de zon,
 het gestamel van de maan.

 Heren achter het behang, heren
 onder bed of op de gang, heren
 onder elke steen of korrel zand.






 Zullen we gaan spelen
 of zal ik je befluisteren:
‘Liefje, ga je met me slapen?’





 Zul je me gaan zoeken als
 ik verkruimel in de wind?



 Tiktak tiktak tingeltangel,
 ongelikte kamerschapen,
 roodgelakte snatergeiten,

 onbehouwen berend over
 dit uitgeholdeknollenland,
 tiktak tiktak tingeltangel.



 Heren in een rubber jas, heren
 achter blik of in het glas, heren
 ieder in zijn eigen opblaasboot.






 Zullen we gaan spelen
 of zal ik je befluisteren:
‘Liefje, ga je met me slapen?’
 
 
 
 
 
 Zul je me gaan zoeken als
 ik verdamp onder de zon?



 Tiktak tiktak tingeltangel,
 langzaam laten, opgaan
 in vergeten, stil vervagen,
 
 zachtjesaan verdwijnen,
 voor altijd blijven dolen,
 tiktak tiktak tingeltangel ...

© Sjon Branðs, 'Liefde in de polder', 1 november 2011

[home] > [gedichten/poems] > [Liefde in de polder]

© Sjon Branðs [donderdag 15 maart 2018 | Thursday, March 15th, 2018]

tijdbalk