Sjon Brandsairships / luchtschepenbirds / vogelsgroceries / boodschappenreadymadesexpositions / tentoonstellingeninfo  
foto's bijeenkomst ‘Bosch Y Bosco’ 15 mei 2015 / photos meeting ‘Bosch Y Bosco’, May 15, 2015

leeg

leeg

leeg

leeg

leeg

leeg

Inleiding Thijs Caspers bijeenkomst Bosch Y Bosco, vrijdag 15 mei 2015

Wat we hier zien is een ode aan de vogels.

Bosch was er gek op en 500 jaar later is Sjon dat nog steeds.

Mensen zijn gekker op vogels dan op bijvoorbeeld zoogdieren, ook al zijn we er zelf een. (Eigenlijk zou je een beetje meer solidariteit mogen verwachten.) Hoe komt dit toch?

Omdat ze zo zichtbaar zijn. Van alle dieren die in het wild leven, zijn vogels het minst schuw. Er zijn stellig meer muizen dan mezen in Nederland, maar voor het ene muisje dat je in de loop van het jaar ziet weghuppelen tussen het hoge gras, kun je 100 mezen te zien krijgen. Vertrouwend op het gemak waarmee zij zich uit de voeten kunnen maken - wegvliegen - wagen zij het ons tot op zeer korte afstand te naderen. En blijven daar zitten, als wij ons tenminste koest houden.

We hebben het dus over zichtbaarheid en de beste tijd om naar vogels te kijken is de winter. (We zitten nu in de lente, waarover straks meer.) Daarvoor hoef je niet eens de deur uit. De wintervoedering van vogels, een van de hoogtepunten van het gezinsleven, lokt met name zangvogels. Door honger gedreven, leggen ze hun natuurlijke schuwheid voor een groot deel af. Als beloning voor de pinda’s en overige versnaperingen tonen ze hun fraaie verenkleed. Achter glas worden in de huiselijke sfeer de gevederde vriendjes vergeleken met de prenten in de vogelgids: ‘Zo leer je vogels kennen’. Voor menigeen ontwaakte aldus de vogelliefde. (Ik vermoed ook voor de kleine Sjon.)

Op latere leeftijd willen de adolescent geworden kinderen meer dan zangpietjes met een spruitjesgeur. Om hun blikveld te verruimen, verhuizen ze van de huiskamer naar de ‘vogelobservatiehut’. Onderschat dit niet, honderdduizenden, misschien wel een miljoen Nederlanders ondernemen regelmatig deze tocht, gewapend met verrekijker of telescoop, een belangrijke vorm van vrijetijdseconomie. En het is alweer in de winter dat daar het meeste te zien valt, vooral grote aantallen van grote vogels, die nooit in je tuin zullen neerstrijken, zoals eenden, ganzen en zwanen: van small naar big is beautiful. Dat ze van ver komen geeft ze een exotisch tintje en hun vliegprestatie dwingt respect af. En ja, dan komen ook de Lamme Dompelgoes, Zoele Schemergors, Zilte Zomergeus, Stille Storm Oog-gaai en Vale Nimmerweer in beeld. Want wat Sjon hier in wezen doet is het creatief omzetten van de passieve bewondering van al die vogelaars in beelden. Onbewust richt hij namens hen (af)godsbeelden op.

Hadden we het net over het zichtbare in de winter, dan is het nu tijd geworden voor de lente, waarin vogels vooral hoorbaar zijn. Zoogdieren brengen nauwelijks geluid voort, een muis piept pas als hij in nood zit, een hert burlt enkel tijdens de bronst, vleermuizen brengen voor ons onhoorbaar hoge tonen voort, maar vogels? Ze verlustigen ons met hun zang, in wezen een uiting van agressieve geilheid. Kortaf wordt gezegd / gezongen: ‘Vrouwtjes, hier moet je wezen, andere mannetjes: oprotten.’ We worden er zelf verdorie ook nog opgewonden van, al dan niet gesublimeerd. Misschien is het nog wel het mooist verwoord door nota bene een priester, Guido Gezelle:

‘Zanggebroeders uit het woud
met uw talen duizendvoud:
gij die kwinkt en gij die kwedelt
gij die schuifelt en die vedelt
gij die neuriet, gij die tiert
gij die piept en tiereliert
gij die wistelt en die teutert
gij die knotert en die kneutert
gij die wispelt en die fluit
gij die tjept en tureluit
gij die tatert en die kwettert
gij die klapt en lacht en schettert
vezelt, orgelt, zingt en speelt
lispelt, ritselt, tjelpt en kweelt.’

Vogels zingen zelfs zo mooi, dat vele zijn genoemd naar het geluid dat ze voortbrengen. Ze maken indruk op ons, mensen, de naamgevers. Zie het als een eerbetoon.  Een wild zwijn noemen we geen ‘stroempf-stroempf’ en een muis geen ‘piep-piep’. De stakkers, dat is toch geen geluid zeg. Nee, dan de vogels, daar wemelt het van de ‘onomatopeeën’, zo niet in het Nederlands dan toch in het Latijn. Ze kondigen hun aanwezigheid luidkeels aan. De weidevogels vullen er hun biotoop, het weidse landschap, als het ware mee: kievit, grutto, tureluur en wulp. De laatste heet in het Frans ‘courlis’ en in het Engels ‘curlew’ - door de toren van Babel verstaan de volkeren elkaar niet meer ook al horen ze hetzelfde - en wij horen deze vogel ‘woe-liep’ zeggen, wat is vereenvoudigd tot ‘wulp’. Koekoek en tjiftjaf liggen voor de hand, de wielewaal mompelt zijn naam meer. Maar ook vogels waarvan je het niet zo snel zou verwachten, roepen toch echt hun eigen naam. Mezen, en dan vooral de koolmees, heten naar het zeurderige geluid dat ze voortbrengen. De vink werkt continu zijn slag af, de vinkenslag, een riedel, maar wordt hij opgeschrikt, dan zegt hij ‘tjink’. Een merel draagt zijn lied heel statig en weloverwogen voor, maar soms hoor je daar heel duidelijk ‘merle’ tussen zitten, en zo heet hij ook in het Frans. Spechten roepen ‘spicht’, hier hebben de Duitsers weer beter opgelet. Kauwen zeggen ‘ka, ka’, kraaien krassen ‘kra kra’ en de raaf roept geen ‘raaf’ maar wel ‘corax’, het tweede deel van zijn wetenschappelijke naam corvus corax. Een kneu kneutert, een snor snort en een gierzwaluw giert er op los. Een spreeuw lijkt alleen maar medeklinkers uit te kramen, maar wil je daar een enigszins uitspreekbare naam van maken dan kom je uit bij ‘spreeuw’. De kwak is heel duidelijk, die kwakt zijn naam er als het ware uit maar de eerste k zou je ook kunnen vervangen door een q met een lang aangehouden u erachteraan, wat voor een naam geen gezicht is. Dat een karekiet zo heet begrijpt iedereen, maar eigenlijk zegt ie ‘karre-karre-karre-kiet-kiet’. Begrijpelijk dat het onomatopee hier vereenvoudigd is. Als kraanvogels overvliegen roepen ze ‘kru-kru’, waar het Latijnse ‘grus grus’ van is afgeleid, maar ook ons ‘kraan’. Een keep ‘kjept’ eerder maar ‘keep’ staat veel mooier. Dat de wetenschappelijke naamgevers van vroeger over goede oren beschikten, wordt bewezen door patrijs - perdix perdix - kwartelkoning - crex crex - en boomleeuwerik - lullula arborea. De mooiste is bewaard voor het laatst. De hop die hopt er op los, maar met upupa heb je ook vrede.

Ze zijn mooi, laten zich goed zien én horen en het zijn een stelletje geile beren: allemaal eigenschappen die ons aanspreken. Maar de liefde voor vogels komt vooral voort uit iets wat zij wél en wij niét kunnen. Maar wel heel graag zouden willen. Dat is vliegen, zich in het luchtruim verheffen en achter de horizon verdwijnen. ‘Ze gaan en staan waar ze willen’, verzucht de mens, een aardgebonden dier. Vogels staan voor vrijheid en, naarmate ze hun vleugels hoger kunnen schroeven, voor het ongrijpbare.

En dat ongrijpbare heeft Sjon trachten te (be)grijpen. Het is nu eenmaal de roeping van een kunstenaar.

                                                                                                                           © Thijs Caspers
 
 
© Sjon Branðs [dinsdag 1 mei 2018 | Tuesday, May 1st, 2018]


[home] > [tentoonstellingen/exhibitions] > [Odd|Birds|on|the|Move] > [meeting Bosch Y Bosco]